• EEN ALTIJD VERRASSENDE JEAN-PIERRE RAYNAUD

    Jean-Pierre Raynaud, een rijzige, gedistingeerde verschijning die meer weg heeft van een succesvol zakenman dan van een kunstenaar, is in zijn oeuvre extreem consequent en gevarieerd tegelijk. Met steeds terugkerende items als verkeersborden, bloempotten of meetlatten brengt hij zijn kunstvisie op de wereldkaart. Zijn œuvre bestaat uit objecten, installaties, vlaggen en architecturale projecten.
    Raynaud werkt met de meest uiteenlopende materialen en heeft een voorliefde voor fel koloriet, veelal rood, geel, groen, maar vaak ook  zwart en wit confrontaties. 
    De vroegste werken dateren uit het begin der jaren zestig. In 1963 maakt hij een roodgeschilderde bloempot gevuld met cement. Deze felrode bloempot werd de ‘rode draad’ in zijn kunstenaarsloopbaan en kreeg in alle mogelijke maten en kleuren wijd en zijd bekendheid. 
    De jaren zestig vormen de periode waarin de Nieuwe Realisten, samengebracht door wijlen Pierre Restany, kunstwerken maken die zijn opgebouwd uit allerlei gewone, eenvoudige  materialen en objecten. Net als bij de Amerikaanse popart accentueren deze creaties de alledaagsheid en de banaliteit van onze typisch Westerse consumptiemaatschappij.
    Hoewel ‘mathematicus’ Jean-Pierre Raynaud ook gebruik maakt van gebruiksvoorwerpen en prularia uit de dagelijkse omgeving, wil hij niet die alledaagsheid van ons bestaan, maar juist de spiritualiteit ervan benadrukken. Hierdoor wordt hij vaak in één adem vernoemd met de onnavolgbare Yves Klein. Wat de kunstkenner eveneens opvalt is een haast filosofische gelijkgestemdheid van Raynaud met zijn Amerikaanse geestesgenoot Donald Judd, vooral dan bij het zoeken naar helderheid van vorm en intensiteit van ruimtelijke beleving.
    In 1962 maakt hij Sens Interdit, een rond, rood verkeersbord met horizontale witte balk waar hij een staande witte houten paal overheen heeft gemonteerd. Deze ‘icoon’ komt in talrijke werken terug. Hij ‘etiketteert’ die vroege werken als  Mes Psycho-Objets en benadrukt daarmee de sterke emotionele geladenheid ervan. De meeste objecten hebben door hun aard en kleur de uitwerking van tekens en signalen die waarschuwen voor dreigend gevaar. Deze signaalfunctie wordt nog versterkt doordat Raynaud zijn werk dikwijls als reeksen haast identieke objecten naar het publiek brengt, als ware het een sensibiliserende boodschap, een aansporing tot alertheid.
    Raynauds fascinatie voor een uniforme en seriële beeldtaal vindt in 1971 zijn hoogtepunt in het gebruik van de vierkante, witte tegel. Dit keramische massaproduct is bepalend voor bijna al zijn verdere werk. De witte faience staat model voor de industriële perfectie, de hygiëne en de banaliteit tegelijk. De regelmatige patronen met witte vierkanten in een raster van zwarte voegen bieden de kunstenaar de mogelijkheid tot een strakke en geometrische vormgeving. Hiermee plaatst Raynaud zich in de traditie van Mondriaan en Malevich.
    Het meest opmerkelijke gebruik van die witte tegels is bij een door Raynaud zelf gebouwd huis in een buitenwijk van Parijs. In 1974 opent hij La Maison de La Celle-Saint-Cloud waarvan alle wanden, vloeren en plafonds zijn betegeld. Met witte tegels maakt Raynaud ook een groot aantal wandobjecten (Carrelages) en sokkels (Stèles). Het huis La Celle-Saint-Cloud groeit uit tot de constructie van een aantal betegelde ruimtes en cabines (Espaces Zéro) die de absolute leegte lijken te prediken, ja te koesteren.
    In 1975 wordt Raynaud gevraagd om 64 glas-in-lood ramen te maken voor het Cisterciënzer klooster in Noirlac. Zijn ontwerpen, uitgevoerd in melkwit glas en gevat in een raster van strakke, zwarte lijnen, sluiten wondermooi aan bij de soberheid van de middeleeuwse architectuur. De ramen van Noirlac vormen niet alleen een (voorlopig) hoogtepunt in het oeuvre van Raynaud, maar behoren ook tot de meest geslaagde toepassingen van hedendaagse beeldende kunst in relatie tot oude architectuur.
    Voor zijn meest recente werken gebruikt Jean Pierre Raynaud allerlei nationale vlaggen. Hij gebruikt de vlaggen in verschillende formaten voor wandvullende installaties. De heldere kleuren en de sterke symboliek sluiten aan bij enkele series felgekleurde werken uit het begin van de jaren zeventig terwijl ze in hun signaalfunctie verwantschap tonen met de vroege Psycho-Objets.
    De tentoonstelling ‘Objet Drapeau’ stelt België en de Belgische vlag in het daglicht. Alle mogelijke objecten die de kunstenaar met België associeert passeren de revue. België is voor Raynaud het geniaal triumviraat, met name René Magritte, Hergé en Jacques Brel. Een bolhoed, een Kuifjesalbum en een platenhoes staan dan ook centraal bij deze tentoonstelling. Ook de FN-fabrieken en de vaak typische 'belgitudes' gaan aan de inventiviteit van de kunstenaar niet voorbij.

     
    Het recentste oeuvre van Jean-Pierre Raynaud is te kijk op de nieuwe locatie van de GUY PIETERS GALLERY, Kustlaan 279 te Knokke en loopt tot 24 oktober 2005. De galerij is dagelijks, behalve op dinsdag, te bezoeken tussen 11 en 18 uur.

  • FONS ROGGEMAN VINDT NA DONKERE PERIODE TROOST IN HET LICHT

    Troost van licht
     
    Tentoonstelling Fons Roggeman
    Gemeentehuis Sint-Martens-Latem
     
     
    Van 16 september tot 9 oktober a.s. organiseert de Latemse Kunstkring, in samenwerking met het gemeentebestuur, haar jaarlijkse tentoonstelling.
    Voor het eerst sinds haar oprichting heeft de Kunstkring gekozen voor een nog levende én actieve ‘Latemse’ kunstenaar, met name Fons Roggeman (°1939). Sedert 1961 woont en werkt de in Aalst geboren Roggeman in het bekende kunstenaarsdorp. Als Paul Haesaerts zijn bekende klassieker Sint-Martens-Latem – Gezegend oord van de Vlaamse kunst in 1965 publiceert, begroet hij Fons Roggeman als de beloftevolle jongeling van een nieuwe generatie.
    Die nieuwe lichting ‘Latemse kunstenaars’ is er strikt genomen nooit gekomen.
    Roggeman daarentegen, vertelt curator Dr. Piet Boyens, heeft wél z’n beloftes ingelost. Grenzen heeft hij niet verlegd. Zijn kunst doet je niet plots omzien als bij de aantocht van het onverwachte. Wel heeft hij, als schilder die de figuratie trouw blijft, een door anderen al betreden terrein onder eigen beheer gebracht: oorspronkelijk, zonder berekening, volgens de eisen van een sterk karakter en met een wakker oog voor kwaliteit. In de traditie brengt hij zijn nuance aan.

    Kijk rond in het virtueel museum van Fons Roggeman, en men wordt nog het meest getroffen door zijn integriteit. Niets in zijn oeuvre is leugen, effect of komedie, maar van een hechte authenticiteit. Het verloop van zijn ontwikkeling toont aan dat die oprechtheid – in de zin van: zichzelf onvoorwaardelijk trouw zijn – hem nooit heeft verlaten.
    Zijn onderwerpen zoekt Fons Roggeman meestal niet verder dan zijn interieur en wat hij door het venster van het atelier ziet. Dat kan zeer weinig zijn: een oude potkachel, de klok tegen de kamerwand, een eenvoudige boomtronk waarin zon- of maanlicht speelt, maar het kan ook de hele kosmos zijn en alle geweld en geheimzinnige grootsheid die daarin schuilgaan. Wat de figuren en de objecten met hun maker verbindt, is méér dan bewondering: het is een vertrouwdheid, naast een diep ontzag dat juist die vertrouwdheid het vanzelfsprekende ontneemt.

    De tentoonstelling Troost van licht is de eerste die op zo’n omvattende schaal het oeuvre van Roggeman onder het publiek brengt. In een vierluik worden de diversiteit en het almaar zoeken naar vernieuwing pregnant duidelijk. Een reeks monumentale doeken legt voor altijd ‘het dorp’ van zijn jeugd vast. ’n Tweede luik documenteert zijn verwondering over de meest eenvoudige objecten uit zijn omgeving. Zelfportretten, beangstigend koud of gloeiend als vuur, maken ons deelgenoot van een smartelijke crisis. En in een laatste luik brengt het licht troost – het licht als bron van hoop én als taal van het mysterie.
     
    Alle info:
    Culturele Dienst: 09 282 17 70 of piet.boyens@sint-martens-latem.be
    Latemse Kunstkring: Freya Malfait, 09 282 48 29 of Pierre Vanderheyde, 09 281 03 06

     




  • HERMAN VAN NAZARETH GAST VAN CONSTANT PERMEKE te JABBEKE

    Herman van Nazareth - pseudoniem van Herman Van Aerden - (° Evergem, 1936) heeft niet alleen een unieke stek in de Europese kunstwereld, maar is tevens een gelauwerd beeldend kunstenaar in zijn tweede thuisland, Zuid-Afrika. Door zijn manifest en protest tegen ontmenselijking, wordt hij omschreven als een voorloper van het humanitaire engagement.
    Sinds de jaren zestig nestelde Van Nazareth zich in Kaapstad, waar hij zich onmiddellijk inburgerde.

    In die prille beginperiode werd zijn werk gekenmerkt door de weerzinwekkende ervaring van de Tweede Wereldoorlog, die voor hem een donkere periode in zijn jonge leven was en hem fel emotioneerde. Herman van Nazareth debuteerde als schilder. Zijn geschilderd oeuvre uit de vroege jaren ‘60 is het resultaat van protest en een verbitterde uiting van verzet tegen elke vorm van meedogenloos machtsmisbruik, corruptie, wreedheid en onverdraagzaamheid, allen eigen aan een gekwelde samenleving. In die onmacht er als individu iets aan te veranderen keerde hij zich ook tot het beeldhouwen. Beelden van frustratie en tormentatie zijn de weerspiegeling van opgekropte gevoelens, bitterheid en opstandigheid. Zijn beeldhouwwerken zijn rudimentair gekneed en als wezenloze figuren veruiterlijkt door middel van sombere, expressionistische vormen. De anatomie is gereduceerd tot primaire vormen en lijnen.
    De landschapsstudies – ik zou ze haast lyrisch noemen - die hij realiseert vanaf 1986, zijn het resultaat van een impulsieve emotie op de onpeilbaarheid van het wonder van de natuur. Als een meester in het leggen van tonaliteiten creëert Herman een uniek spel van licht, kleur en compositie. Zijn schildersvisie gaat niet voorbij aan figuren als Marlène Dumas (Zuid-Afrika), die ruiterlijk toegeeft een grote bewondering te hebben voor Herman Van Nazareth, schilder.


    De tentoonstelling in het Permeke Museum is een merkwaardige confrontatie tussen de ruwe oervormen van beeldhouwer Herman Van Nazareth en het oeuvre van een ikoon van het Latemse (lees: Vlaamse) expressionisme, Constant Permeke. Curator Willy Van Den Bussche tekende voor deze boeiende dialoog die nog tot 2 oktober 2005 te kijk is in de tuin en de atelierruimtes van het Provinciaal Museum Constant Permeke te Jabbeke.

    EXPO WORDT VERLENGD TOT 17 oktober 2005




  • DE NARRATIEVE KUNST VAN COMBAS IS POP(ULAIR)!

    Robert Combas kun je niet in het keurslijf van één of andere strekking snoeren. Zijn œuvre is een spontane uitdrukking van een onuitputtelijk gevoel van humor, satire, ironie en – God betere het - de naakte werkelijkheid van een nu eens tedere en dan weer harteloze wereld. Zijn werken variëren van maatschappijkritisch naar  poëtisch en zijn een typisch voorbeeld van de narratieve schilderkunst sinds de jaren tachtig. Zijn oeuvre overstijgt zowel het wilde, eerder ongecontroleerde van zijn Duitse tijdgenoten als het meticuleuze en intellectuele van de transavangardekunst.
    Combas wordt vaak op één lijn geplaatst met Basquiat, Haring, Crash en geestverwanten  maar de ‘Parijzenaar’ uit Sète is naar mijn gevoel vindingrijker, kleurrijker en fijnzinniger dan eerder genoemden. Maar, schiet niet op de pianist als je het met die benadering niet eens bent want een recensent heeft ook recht op een eigen appreciatie, zelfs als die indruist tegen de visie van zijn collegae.
    Ik zou de minzame, enigszins introverte Robert Combas eerder vergelijken met ‘BD-iconen’ als Lichtenstein, Erro en Spiller maar dan met veel meer temperament en kleurgeweld.
    In Amerika werd toentertijd de verfrissende vernieuwing en originaliteit van de ‘Figuration Libre’ niet zo gunstig onthaald, laat staan geapprecieerd. De opkomst van Lichtenstein en Keith Haring was voor de Amerikaanse ‘kunstbaronnen’ (lees promotoren) een gezegend moment om  de chronologie en de vindingrijkheid van de ‘Figuration Libre’ op het achterplan te brengen, zodat de indruk werd gewekt dat de Fransen eigenlijk ‘maar’ volgelingen waren van de Amerikaanse inventiviteit, een ‘statement’ die de realiteit binnen de kunstgeschiedenis totaal vertekent.
    Combas zegt zelf eerder meer voeling te hebben met de ‘Neue Wilden’ en dan vooral naar de geest.
    Combas, Di Rosa, Boisrond en de andere spitsbroeders waren enige tijd gekast in de Figuration Libre. Maar zij verschillen totaal van wat enerzijds hoofdzakelijk expressionistische of geestelijke invloeden lieten geloven en anderzijds omwille van een onmiskenbare achtergrond van de sex, drugs, rock and roll uit het punktijdperk, die enige affiniteit leek te vertonen met de Franse levensstijl uit de Gainsbourgperiode en een libertijnse denkwereld. Die lijn kon geenszins op plastisch vlak worden doorgetrokken.
    De kunstenaars van de ‘Figuration Libre’ waarvoor de naam bedacht door de Frans-Zwitserse kunstenaar Ben Vautier en waarvan Robert Combas vrij vlug de ‘chef de la bande’ was, hadden nochtans qua stijl weinig raakpunten, tenzij wellicht dat uitbundige en het ongezouten uitbeelden van ‘hun’ realiteit. Zij waren eigengereid, vrij en brachten een frisse reactie op het constructivisme, minimalisme en het conceptuele, strekkingen die toen de kunstwereld beheersten.
    Robert Combas is filosoof, maar in de eerste plaats schilder, zij het in zijn typische, heel complexe en spontane stijl : politiek en vooral emotioneel (seksueel) geladen, alsof hij het geweten van de mensheid wil veruiterlijken en een persoonlijke toets aanbrengt door het verweven van zijn eigen visie op de wereld. Zijn manier van schilderen en ‘vertellen’ geeft de hedendaagse schilderkunst een totaal nieuwe impuls en een ruimere dimensie. Zijn œuvre en de schitterende ‘ondertiteling’, die nu eens poëzie is en dan weer een manifest, schopt de aandachtige kijker een geweten of beter gezegd, brengt hem aan het denken.
    Hij vangt het koloriet in sterk gestructureerde zwarte contouren, die de kleuren nog meer uitstraling geven.
    Robert Combas is de ‘paus’ van de hedendaagse beeldtaal en dwingt door een totaal eigen stijl  en zijn ironische ondertoon een onmiskenbare hoofdrol af op het ‘toneel’ van de actuele kunstscène.

    Hij slaat en zalft tegelijk. Hij leeft en werkt in een compleet eigen wereld en maakt zich weinig zorgen over wat het grote publiek van hem denkt. Combas weet wat de impact is van zijn thematiek en overtuigt zijn publiek dat alles relatief is of moet gerelativeerd worden. Zijn ‘beeldverhalen’ zijn parels van nu eens satire of surrealisme, dan weer van vertedering of harde realiteit.

    Robert Combas, ‘Mots d’Oreilles’, tot 25 september, Magazinne del Salle, Venezia
    Robert Combas, ‘Bonjour’, Museum Jan van der Togt, Amstelveen, van 3 september tot 9 oktober 2005.